Interview Ado Hamelryck

Ado Hamelryck toont zijn zwarte schrifturen op tentoonstelling in stadsbibliotheek

“Mijn kunst blijft een strikte, dagelijkse noodzaak”

Ergens halverwege het interview kijkt Ado Hamelryck naar mijn notities, gekrast in haastig handschrift. “Kunt gij zo snel schrijven?” Ik beken dat er een houdbaarheidsdatum op zit, en dat het daarna ook voor mij onleesbaar wordt: “Misschien kan jij er wel kunst van maken”, zeg ik quasi verontschuldigend. “Dat gaat tegenwoordig vanzelf bij mij”, zucht de artiest met zachte zelfspot. “Mijn hand bibbert, ik hou het blad stil, en ik schrijf vanzelf.” De tijd slijpt sleet in zijn lichaam, zijn rebellie blijft onaangetast. “Mijn kunst is een reactie op de oppervlakkigheid van onze maatschappij. De drang is er nog altijd.” Volgend jaar wordt hij 80, maar hij blijft boren in de diepte van het zwart. Op een tentoonstelling in de stadsbibliotheek toont hij vanaf 12 oktober zijn boeken. Abstracte schrifturen, maar wie goed kijkt, leest in die werken zijn hele verhaal. 

Waar liggen de kiemen van jouw kunstenaarschap?

Hoewel mijn vader haarkapper was - dat vak heeft toch ook met een bepaalde feeling te maken - kom ik niet bepaald uit een kunstminnend gezin. Kiezen voor kunst is mij altijd afgeraden, maar de drang was er. Van kinds af aan voelde ik mij bijna geroepen. Dat uitte zich al op school, bij de nonnekes: de juf tekende de boom, en ik de vogeltjes die daarin zaten.

Je bent geboren in Halle. Wie nam jou daar op sleeptouw?

Ik liep al vroeg Jef Colruyt tegen het lijf, een telg van de bekende familie. Hij was een beetje de eenzaat, de rare kwiet, maar vooral een verdomd goed kunstenaar en pedagoog. Ik was nog te jong om les te volgen, maar hij kwam thuis langs, stimuleerde mij, en gaf me raad. Rond mijn 15de – ik had wat gelogen over mijn leeftijd – heb ik me toch ingeschreven voor zijn lessen in de academie. Jef was ook glazenier, en samen kregen we de opdracht voor een glasraam in de Sint-Geertruikapel in Gaasbeek. Zo kreeg ik heel voorzichtig wat naam. Ik ging daarop studeren in Sint-Lucas in Brussel, modeltekenen en schilderen. Dat stond mij compleet niet aan, vanwege de vele indoctrinaties.

Je vond als jonge artiest je draai niet in dat keurslijf.

Voilà. Na twee jaar hield ik het daar voor gezien, en zocht ik een vrijere omgeving. Die vond ik in de Koninklijke Academie in de Zuidstraat in Brussel. Na die 4 jaar trok ik naar het Hoger Instituut in Antwerpen voor mijn laureaatschap.

Hoe komt zo’n jonge artiest in godsnaam in Genk terecht?

Tijdens mijn legerdienst raakte ik bevriend met iemand van Diepenbeek. Hij had in het Belangske een vacature gezien voor mij, in de academie in Genk. Ik solliciteerde vanuit Soest, deed examen, en bracht mijn werken met een MAN-camion van het leger. In september 1967 deed ik ingangsexamen, en ik kon beginnen.

Vond je vrouw, ook van Halle, dat een goed idee?

(het gezicht van Rosette, altijd in de buurt, spreekt boekdelen) We zijn in december getrouwd. De verhuizing naar Limburg was eventjes een pijnlijk verhaal… (glimlacht) En we woonden dan ook nog eens in de Lijkweg, tegenover mijn collega Jan Van Praet. De dynamiek in de academie maakte veel goed. De avondschool, zoals dat toen heette, was al een hele tijd bezig met mensen als Willy Minders, Mathieu Vanderfeesten en Raf Mailleux. De jonge garde kwam daar toen bij, met onder andere Hugo Duchateau. Daarna startte directeur Roger Daniels met weekendlessen, en hij realiseerde uiteindelijk ook het hoger kunstonderwijs. Ik doceerde eerst in de grafische afdeling, later keuzevakken in alle afdelingen. Tekenen was een fundamenteel vak in de opleiding, ik kwam overal.

Wat wou je als docent, naast het pure ambacht, vooral overbrengen bij je leerlingen?

Een docent is eerst en vooral iemand die een visie moet hebben. Hij moet zelf ondervinden en ondergaan, creatief zijn, veel werken, én risico’s durven te nemen. Van daaruit moet hij distilleren wat hij bij elke unieke leerling wakker wil maken. Je moet stuk voor stuk de analyse maken van je leerlingen, en van daaruit bouwen, zonder je eigen visie op te dringen. Dat is misschien wel het moeilijkste. Weinig docenten slagen daarin, wegens een vorm van egoïsme of omdat ze niet anders kunnen. Als ik bezig ben met mijn zwart, verwacht ik niet van mijn studenten dat zij dat ook doen. Zwart is mijn manier, maar niet de enige manier om iets uit te leggen of te forceren. Je moet zo open mogelijk zijn en volgens het individu werken, niet vanuit een soort ‘algemeenheid’ of op een intellectuele basis. Het gevoel kan exacter zijn dan het verstand. Dat vraagt veel geduld en de nodige soepelheid.

Wat geeft het meeste voldoening: lesgegeven en iets wakker maken, of je eigen kunstwerk maken?

Het genot is het hoogste goed, dus in eerste instantie zijn dat toch mijn eigen ervaringen en uitingen. Maar als docent moet je dat overdrachtelijk maken. Als je studenten kan helpen, dan schept dat evenveel genot als jezelf bevredigen - als dat geen mooie metafoor is… Dat is twee keer plezier voor dezelfde prijs.

Ging je Limburg snel aanvoelen als je definitieve plek, of bleef je toch een ‘gastarbeider’?

Ik heb me hier altijd goed gevoeld, omdat onze school een geweldig hoge vlucht nam, zelfs internationaal. We hadden een heel mooie entourage met docenten als Francis Smets, Piet Stockmans, Hugo Duchateau, om alleen maar hen te noemen. We vonden elkaar, en we staken erbovenuit. We hadden ook verdomd goeie studenten, die daarna soms zelf ook weer docent werden. Zo konden we veel losmaken, ook buiten onze stads- of zelfs landsgrenzen.

Heb je als Brusselaar deze regio nooit ervaren als een culturele woestenij?

Buiten het eiland van de school maakten we weinig mee in Genk, dat klopt. Ik heb het ooit zo geformuleerd tegen de vorige burgemeester: ‘In Genk is een bepaald artistiek en cultureel potentieel aanwezig, maar er gebeurt niks mee.’ Hij antwoordde: ‘We gaan ermee beginnen, we zullen wat minder met het voetbal bezig zijn.’ En effectief: C-mine is er gekomen, dat was zeker een goede zaak. (glimlacht) Ach, ik zou er meer over kunnen zeggen, maar dat ga ik niet meer doen.

Over naar je kunst. In je jonge jaren werkte je nog veel met kleur. Wanneer werd alles zwart?

Mijn glasramen, dat was één en al kleur. Ook toen ik afstudeerde, maakte ik nog intens gekleurde doeken. Ik ben altijd colorist geweest, en ik ben dat nog altijd, ook in mijn zwart. Door in Genk in contact te komen met mensen als Francis Smets werd de discussie daarop gericht en kwam er een vorm van reductie. Die was in de eerste plaats zichtbaar in de kleur: grijs, wit en zwart, om uiteindelijk het zwart volledig te gaan onderzoeken. Er was ook reductie in de vorm. Mijn creaties zijn omgevormd naar meetkundige figuren – een bol, een kubus – tot ook die begrenzing wegviel. Bij wijze van spreken is alleen het zwart overgebleven, al blijft er binnen dat zwart een wereld van onderzoek en diepgang. Ik noem mezelf altijd een pianist met een drilboor. Ik boor om dieper en dieper te gaan, in plaats van breed uit te dijen. De herhaling is essentieel.

Als anderen je kunst beschrijven, hanteren ze vaak hetzelfde lexicon: modernist, meditatie, kluizenaar op zoek naar puurheid. Voelt dat comfortabel? Vat dat jou een beetje?

De mensen die voor mij komen, zijn geen echte buitenstaanders. Wie mijn kunst wil zien, is al verwittigd, en weet in welke richting er gekeken moet worden. Die begrippen kloppen wel. Kluizenaar ben ik in een bepaalde context, figuurlijk. Ik noem mijn huis en mijn atelier zelf ook mijn klooster, met de nadruk op ‘mijn’ – het is niet ‘een’ klooster.

Toon je nog ooit werk in kleur?

Zoveel werken uit die periode heb ik niet meer, misschien nog wat aquarellen. Als je vraag is of ik dat nog durf te tonen, dan is het antwoord: waarom niet? Het past ook in de context van mijn zwart als coloriet. Zwart slorpt kleur op, het weerkaatst, het blinkt. Als ik grafiet gebruik, dan metalliseert dat, het vangt licht op en weerkaatst. En licht is kleur.

Veel interviews en recensies gaan altijd weer over dat zwart, alsof je je ervoor moet verantwoorden. Wordt dat niet vervelend?

Nee. Ik ben nogal geduldig. Ik maak zelf tijd, mijn trage tijd, om dat uit te leggen. Ik begrijp het ook wel. Door onze opvoeding en godsdienst hebben we zwart altijd als negatief gezien. Zo zie ik het niet. Zwart wordt in onze maatschappij miskend, maar is voor mij niet pejoratief, integendeel. Voor mij is het net de meest boeiende kleur. Zwart was vroeger verboden in schilderijen. Van Gogh vroeg indertijd nog aan zijn broer of hij zwart wel mocht gebruiken. Het heeft tot Matisse geduurd vooraleer het zwart weer werd gesacraliseerd.

Kan een kunstenaar favorieten kiezen uit zijn eigen werken? Of klopt het wat Francis Smets schrijft, dat jouw hele werk één opus is, en niet een collectie van werken.

Dat is zeker waar. Ik heb wel kleine voorkeuren, maar die zijn relatief en deemsteren weer weg. Meestal is het de laatstgeborene die het meest getuigt van inzet, enthousiasme en fysieke impact. Daar heb ik dan even een soort van voorkeur voor, maar die is vergankelijk. Ik zie mijn kunst als een totaliteit. Er zit een vraag in het geheel, en die probeer ik op te lossen.

Je fundamentele onderzoek van zwart impliceert traagheid, herhaling, diepgang – haaks op de tijdsgeest, wars van heersende opinies. Vandaag staan kunst en cultuur meer dan ooit onder (politieke) druk. Bezit je nog de gave van de verontwaardiging om je daarover op te winden?

Zeer zeker, en nog meer dan vroeger. Dat engagement klinkt misschien contradictorisch, vanuit mijn klooster hier. Maar politiek is geen goede raadgever, nooit geweest. (glimlacht) Zeker niet als je zwart bent. Dus, ben ik nog verontwaardigd? Ja, ja, ja!

Jouw huis is inmiddels kunst op zich, met al je werken, je ateliers, je materialen. Tijd om er een museum van te maken?

Ik kan dat moeilijk zelf zeggen, maar hier moet inderdaad niks meer gebeuren, het is er al allemaal. En dan heeft Waterschei ook iets - Winterslag heeft C-mine, met Piet er nog eens bij, Zwartberg heeft La Biomista. Ik moet daar het stadsbestuur toch nog eens over aanspreken, ook al is kunst voor mij geen economisch probleem. Er is alleen de noodzaak om me te uiten.

Laten we het eens over de expo in de bib hebben. Zie je dat, op de drempel van je 80ste, als een soort retrospectieve?

Mmm… Ik hoop hierna toch nog andere dingen te kunnen doen. De zin is er nog altijd, ook al ben ik niet meer altijd zo kwiek. Ik werk nog veel. Ik heb het nodig. Ik heb wat fysieke pijn, maar mijn kunst blijft een strikte, dagelijkse noodzaak. Vroeger ging ik door tot diep in de nacht, nu stop ik rond 16 uur. Dan is mijn lichaam op.

Is jouw kunst in die zin ook therapeutisch?

Er zijn er veel die dat denken, maar ik weet niet wat ik daarop moet antwoorden. Ik zou het zo niet omschrijven. Ik heb het nodig. Het is een drift. Als ik niks kan doen, voel ik me daar niet goed bij, dan ga ik toch nog maar wat peuteren, zonder veel resultaat, maar dan kan ik iets rustiger de dag afronden.

Is dat de ultieme nachtmerrie voor een scheppend kunstenaar, de fysieke aftakeling?

Het houdt me wel bezig, ja. Ik word er hoe dan ook mee geconfronteerd, zeker als ik pijn heb, en dat is soms het geval. Mijn energie vloeit voor een deel weg, daar moet ik heel spaarzaam mee zijn. Forceren kan niet.

Wat wil je tonen op de expo in de bibliotheek?

Vooral de boeken die ik ‘geschreven’ heb. De klassieke vraag is dan: zijn dat tekeningen of schrifturen? Beide, natuurlijk. Het zijn boeken, al verwachten mensen dan een literaire inhoud, en die is er niet. Het zijn abstracte tekens. Toeschouwers moeten ze zelf lezen, het is een soort code die lijkt op lichaamstaal.

Je oeuvre is inmiddels bijzonder uitgebreid. Bij wijze van slotvraag: wat wil je graag dat er later overblijft van je kunst? Welke eeuwigheidswaarde is er?

Schrijf maar: hij lacht en denkt niét diep na... (stilte) Uiteraard hoop ik dat er een boodschap overblijft. Dat denk ik ook wel. Wat ik doe, gaat tegen de gang van zaken in. Dat soort rebellie, niet akkoord gaan met de oppervlakkigheid van deze maatschappij en dit tijdsgewricht, daar is mijn kunst een reactie op. Ik hoop dat zoiets nog openlijk begrepen en gezien wordt. Desnoods formuleren ze het maar als volgt: hij was een ambetant manneke. Dat klinkt als onnozele woordenkramerij, maar dat is de essentie van het verhaal.